Verordening Ordemaatregelen 2004

 
Recreatieterreinen Stichtse Groenlanden

Het Algemeen Bestuur van het Recreatieschap Stichtse Groenlanden:
gelezen de desbetreffende voordracht van het dagelijks bestuur van 15 april 2004;
gelet op artikel 12 lid 3 van de Gemeenschappelijke regeling Recreatieschap Stichtse Groenlanden;
overwegende, dat het ter bescherming van de werken, inrichtingen of eigendommen van het recreatieschap gewenst is nieuwe regels te stellen omtrent het gebruik daarvan en daarbij het besluit van 12 maart 1998 te herzien;
 
 
BESLUIT
 
I           met ingang van de inwerkingtreding van de verordening conform artikel 26 in te trekken:
            het besluit van 12 maart 1998 van het recreatieschap Stichtse Groenlanden, tot vaststelling van de “Verordening ordemaatregelen recreatieterreinen Stichtse Groenlanden”;
 
II          voor zover van toepassing, de bovengenoemde ingetrokken verordening nog van toepassing te verklaren voor reeds afgegeven vergunningen en ontheffingen;
 
II          vast te stellen de volgende verordening:
 
"Verordening ordemaatregelen recreatieterreinen Stichtse Groenlanden 2004”
 
 
Algemene bepalingen
 
Artikel 1 (wijziging)
 
In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:
            a.         Het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur als bedoeld in artikel 18 van de gemeen­schappelijke regeling Recreatieschap Stichtse Groenlanden.
            b.         (wijziging)
            Onder de recreatieterreinen vallen:
-           Het recreatieterrein Nedereindse plas: het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart 1;
-           De recreatieterreinen Grutto, Koekoek en Reiger: de gebieden zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten 2a, b en c;


-           Het recreatieterrein De Heulse Waard: het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart 3;
-           Het recreatieterrein Oortjespad: het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart 4;
-           De recreatieterreinen ’t Waal Oost en West: het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart 5;
-           Het recreatieterrein Strijkviertel: het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart 6;
-           Het recreatieterrein Salmsteke: het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart 7;
-           Het recreatieterrein Maarsseveense Plassen: het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart 8;
-           De fietspaden Kasteellaan, Houtkade en Hollandse Kade: de paden zoals aangege­ven op de bij deze verordening behorende kaart 9;
-           De fietspaden het Voorveldsepad, het Hooge Kampsepad, het Blauwkapelsepad, het Voordaansepad, het Oostveensepad, het Vuurschepad, de Eijckensteinselaan en het gebied De Leijen: de paden en het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten 10 en 10a;
-           De fiets-/wandelpaden Heemstede en de fietspaden het Eikenlaantje en het Golfpad: de paden zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart 11;
-           De fietspaden Kanaaldijk, Veenkade, Kikkerpad, Geldersepad, Groenedijksepad en de fietspaden Gagelbos: de paden zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart 12.
            c.         Pleziervaartuig: elk vaartuig, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen voor als watersport aan te merken recreatief gebruik zoals: jetski's, waterscooters, motorboten, zeilschepen, roeiboten en kano's.
­­
 

Artikel 1a (nieuw)

Voorzover daar in deze verordening niet van wordt afgeweken, is het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV) van toepassing op alle recreatieterreinen die onder de verordening vallen.
 
 
Artikel 2 (wijziging)
 
1.         (nieuw)
            Het dagelijks bestuur is bevoegd om vergunningen of ontheffingen van de verboden in de artikelen in deze verordening te verlenen. Het dagelijks bestuur kan deze verlenen voor bepaalde of onbepaalde tijd.
 
2.         (artikel 2 lid 1)
            Het dagelijks bestuur kan aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is verleend.
 
3.         (nieuw)
            Alle vergunningen en ontheffingen, welke krachtens deze verordening worden verleend, worden schriftelijk gegeven.
 
4.         (artikel 2 lid 2)
            De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
a.         indien de aan de beschikking verbonden voorschriften niet zijn of worden nageleefd;
b.         als de vergunning of ontheffing is verleend op grond van een onjuiste of onvolledige opgave;
c.         indien het algemeen belang zulks vordert.
 
 
Artikel 3
 
            Degene, die handelt in strijd met, of niet nakomt de voorschriften, verbonden aan een vergunning of onthef­fing, overeenkomstig deze verordening verleend, wordt geacht te hebben gehandeld zonder vergunning of onthef­fing.
 
 
Artikel 4 (wijziging)
 
Voor zover deze verordening voorziet in dezelfde onderwerpen als een of meer bepalingen van een verordening van de gemeente waarin het recreatieterrein is gelegen, houden laatstbedoelde bepalingen op te gelden voorzover strijd ontstaat met de verordening.
 
 
Artikel 4 a (nieuw)
 
Het is verboden de recreatieterreinen te gebruiken of te laten gebruiken in strijd met het doel waarvoor de terreinen zijn opengesteld.
 
 
Artikel 5 (wijziging)
 
1.         Het is verboden zich tussen zonsondergang en zonsopgang te bevinden op het recreatieterrein.
 
2.         (wijziging)
            Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het gebruik van recreatieterreinen ten behoeve van het deelnemen aan activiteiten die worden georganiseerd door bedrijven of organisaties die daartoe een overeenkomst terzake erfpacht, huur of opstalrecht met het recreatieschap hebben.
 
3.         Het is verboden één of meer kampeermiddelen, motorvoertuigen of andere middelen van vervoer tussen zonsondergang en zonsopgang op het recreatieterrein achter te laten.
 
4.         (vervallen)
 
 
Artikel 6 (wijziging)
 
Het is verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur op een voor het publiek toegankelijke in de openlucht gelegen plaats:
a.         met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben tot verkoop, uitstalling of tentoonstelling van waren of goederen;
b.         anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan het publiek.
 
 
Artikel 7 (wijziging)
 
1.         Het is verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur met één of meer voorwerpen, waren of goederen te venten.
 


2.         Het is verboden om op het recreatieterrein pleziervaartuigen, waterfietsen, fiet­sen, strandstoelen, ligstoe­len of enig ander voorwerp, een paard, een ezel of enig ander dier aan het publiek te huur aan te bieden of te verhuren.
 
3.         Het is verboden op het recreatieterrein diensten aan te bieden waarbij het niet van belang is of het verrichten van die diensten al of niet tegen betaling geschiedt.
 
4.         (vervallen)
 

Artikel 8

  
1.         Het is verboden om vuilnis en afvalstoffen van welke soort of aard dan ook te deponeren op het recreatieter­rein­.
 
2.         Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor huis­houde­lijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen papier, plastic bekertjes en blikjes afkomstig van de zich op het recrea­tieter­rein bevin­dende recreanten.
 
3.         Het is verboden zich op andere wijze van huishoudelijke afvalstoffen te ontdoen dan door deze in of op de daartoe bestemde plaatsen, zoals afvalmanden, -bakken en soortge­lijke voorzieningen te deponeren.
 
 
Artikel 9 (wijziging)
 
Onverminderd een door het terzake bevoegd gezag uitgevaar­digd zwemverbod is het verboden te zwemmen of zich met tot drijven geschikte voorwerpen te water te bevinden buiten de door het dagelijks bestuur met bebording als zwemgedeelte kenbaar gemaakte delen van het recreatieterrein.
 
 
Artikel 10 (wijziging)
 
1.         Het innemen van een ligplaats met en het gebruik van alle vaartuigen, welke uitsluitend of mede door middel van mechanische kracht worden voortbewogen, is verboden.
 
2.         Het innemen van een ligplaats met en het gebruik van andere dan de in het eerste lid bedoelde vaartuigen met een grotere lengte dan vijf meter en een breedte van meer dan een meter en vijfenzeventig centimeter is eveneens verbo­den.
 
3.         (vervallen)
 
4.         Onverminderd het in de voorgaande leden van dit artikel bepaalde is het verboden vaartuigen van hard materiaal te gebrui­ken in de met bebording kenbaar gemaakte delen van het recreatieterrein als genoemd in artikel 9. 


 
Artikel 11 (wijziging)
 
1.         Het is eenieder, die als eigenaar, houder of verzorger of in enige andere hoedanigheid een hond onder zijn toezicht heeft:
            verboden het dier anders dan aangelijnd te laten verblijven op de recreatieterreinen, met uitzondering van de in sub b en c van dit artikel genoemde gebieden.
a.         verboden het dier te laten verblijven in de door het dagelijks bestuur met bebording kenbaar gemaakte (delen van) recreatievoorzieningen.
b.         toegestaan het dier los te laten in de door het dagelijks bestuur met bebording kenbaar gemaakte hondenlosloopgebieden (al dan niet voor een gedeelte van het jaar). Eenieder is verplicht om de loslopende hond altijd onder appèl te hebben, zodat de hond onmiddellijk aangelijnd kan worden.
 
2.         In de gevallen genoemd in lid 1 sub a en c is het eenieder die een hond onder zijn toezicht heeft die agressief gedrag vertoont of door de Minister van LNV in de Regeling Agressieve Dieren is aangemerkt als gevaarlijk, verboden het dier anders dan kort aangelijnd, voldoende in iemands macht en voorzien van een doelmatige muilkorf te laten verblijven op de recreatieterreinen.
 
3.         Eenieder, die als eigenaar, houder of verzorger of in enige andere hoedanigheid een hond onder zijn toezicht heeft, is verplicht om de uitwerpselen van de hond onmiddellijk te verwijderen.
 
 
Artikel 12
 
1.         Het is verboden met een motorvoertuig, (brom)fiets en/of andere middelen van vervoer met uitzondering van invali­dewagens op het recreatie­terrein te rijden buiten de daarvoor bestemde wegen en paden.
 
2.         Het is op het recreatieterrein verboden met welk middel van vervoer dan ook harder te rijden dan 10 km per uur.
 
3.         Het is verboden motorvoertuigen en (brom)fietsen aan de hand mee te voeren en te doen of laten staan op het recreatieter­rein anders dan op de daar­voor ter plaatse door middel van bebording aangewezen vakken en\of stallingen.
 
 

Artikel 13

 
1.         Het is verboden zich te bevinden in de plantvakken buiten de daarin gelegen paden of wegen.
 
2.         Het is verboden dijktaluds en oeververdedigingen van bij het recreatieterrein behorende plassen te betreden met uitzondering van de voor recreatie ingerichte gedeelten.
 


Artikel 14
 
1.         Het is verboden schade aan te brengen aan de be­planting, begroeiing of welke voorziening dan ook op het recreatie­terrein.
 
2.         Het is verboden takken, hout, planten of delen daarvan te verwijderen of mee te nemen.
 
 
Artikel 15 (wijziging)
 
1.         Het is verboden de duiksport te beoefenen in de wateren op het recreatieterrein.
 
2.         (vervallen)
 
                                                                          
Artikel 16
 
Het is verboden te graven of te doen graven op het recreatieterrein. Dit verbod geldt niet voor de voor dit doel ingerichte plaatsen op het terrein en voor de zandstranden.
 
 
Artikel 17 (wijziging)
 
1.         Het is verboden om op het recreatieterrein een open vuur aan te leggen of een barbecue te gebruiken. Dit verbod geldt niet voor gastoestellen, met uitzondering van het strandbad van het recreatiecentrum Maarsseveense Plassen.
 
2.         (vervallen)
 
 
Artikel 18 (wijziging)
 
1.         Het is verboden kampeermiddelen te plaatsen op het recre­a­tieterrein buiten die gedeelten van het ter­rein die daarvoor zijn aangewezen door het dagelijks bestuur.
 
2.         (vervallen)
 
 
Artikel 19
 
Het is verboden zich met een of meer paarden te bevinden op het recreatieterrein buiten de daartoe bestemde wegen of ruiterpaden.
 


Artikel 20 (wijziging)
 
1.         Het is verboden geluidvoortbrengende apparatuur of muziekinstrumenten te ge­bruiken op het recreatieterrein, zodanig dat overlast voor anderen ontstaat.
 
2.         Het is verboden op het recreatieterrein gebruik te maken van radiografisch en lijn bestuurde modelvliegtuigen, -boten, -auto's en dergelijke.
 
3.         (vervallen)
 
 

Artikel 21

 
Het is verboden zich op het recreatieterrein zodanig te gedragen, dat daardoor schade, hinder of gevaar voor anderen kan ontstaan.
 
 

Artikel 22 (wijziging)

 

1.         Het is verboden op het recreatieterrein activiteiten met een commercieel karakter te ontplooien.
 
2.         (vervallen)
 
 
Straf- en slotbepalingen
 
Artikel 23 (wijziging)
 
Het opsporen van overtredingen dezer verordening wordt opgedragen aan de politie alsmede aan de daartoe door het dagelijks bestuur aan te wijzen bijzondere opsporingsambtenaren van de Facilitaire Dienst Utrechtse Recreatieschappen of aan de bij overeenkomst aan te wijzen bijzondere opsporingsambtenaren.
 
 

Artikel 24 (wijziging)

 
1.         (wijziging)
            Overtreding van enige bepaling van deze verordening wordt bestraft met een geldboete in de tweede categorie, omschreven in het wetboek van Strafrecht.
 
2.         Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het op kosten van de overtreders doen wegnemen, beletten, verrichten of in vorige toestand herstellen van hetgeen in strijd met deze verordening is of wordt gehouden, gemaakt of gesteld, ondernomen, nagela­ten, beschadigd of weggenomen.
 
 

Artikel 25 (wijziging)

  
Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening ordemaatregelen recreatieterreinen Stichtse Groenlanden 2004".
 
 
Artikel 26
 
Deze verordening treedt in werking één dag na de openbare bekendmaking.
 
 
 
 
Aldus vastgesteld in de vergadering van het Algemeen Bestuur van het recreatieschap Stichtse Groenlanden d.d. 1 juli 2004 te Lopik.
 
 
De voorzitter,                                                   De secretaris-directeur,
 
 
 
 
dhr. A. Kwakkel                                              dhr. K.P.J. Wiss
 

TOELICHTING
 
Artikel 1 (wijziging)
 
De wijziging betreft de opsomming van de recreatieterreinen in artikel 1, onderdeel b. Deze is aangepast aan de huidige situatie.
 
Artikel 1a (nieuw)
 
Dit artikel is om praktische redenen toegevoegd.
 
Artikel 2 (wijziging)
 
De wijziging betreft het toevoegen van artikel 2 lid 1 en lid 3.
In artikel 2 lid 1is een algemene bevoegdheid om vergunningen of ontheffingen van verboden te verlenen opgenomen. Hiermee vervalt deze bevoegdheid die per artikel was opgenomen.
 
Artikel 4
 
Ingevolge het bepaalde in artikel 30 lid 3 van de Wet gemeenschappelijke regelingen dient de verordening van een openbaar lichaam voor zover die voorziet in hetzelfde onderwerp als een verordening van een deelnemende gemeente, de onderlinge verhouding te regelen. Zij kan bepalen, dat de verordening der gemeente voor het gehele gebied dan wel voor een gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk ophoudt te gelden.
Aangezien deze verordening in het bijzonder is toegespitst op het gebruik van de recreatieterreinen komt het ons juist voor, dat die verordening voor zover nodig prevaleert boven die van de deelnemende gemeenten.
 
In dit artikel is de formulering “… houden laatstbedoelde bepalingen op te gelden al naargelang de voorschriften van de in de aanhef van dit artikel bedoelde verordening op het gehele dan wel op een gedeelte van het gebied van het recreatieterrein van toepassing zijn” gewijzigd in
“… houden laatstbedoelde bepalingen op te gelden voorzover strijd ontstaat met de verordening” waardoor het artikel duidelijker en leesbaarder wordt.
 
Artikel 4a (nieuw)
 
Dit artikel is toegevoegd als kapstokartikel om niet voorziene activiteiten te kunnen beheersen.
 
Artikel 5 (wijziging)
 
De wijziging betreft artikel 5 lid 2. Voor de limitatieve opsomming is een algemene formulering in de plaats gekomen.
Artikel 5 lid 4 is vervallen in verband met het toevoegen van artikel 2 lid 1.
 
Artikel 6 (wijziging)
 
Artikel 6 ziet toe op het te koop aanbieden van goederen vanaf een vaste plaats. Hiermee wordt dan ook een onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen (zie artikel 7) aangebracht. Het verplicht stellen van een vergunning aan het drijven van handel vanaf een vaste plaats is een bruikbaar instrument bij het handhaven van de rust voor de recreanten, de natuur en landschappelijke waarden van de recreatiegebieden.
 
De wijziging betreft het veranderen van het woord “standplaatsvergunning” in het algemenere woord “vergunning”.
 
Artikel 7 (wijziging)
 
Artikel 7  lid 1 gaat uit van een algeheel verbod op het venten, behoudens indien met een door het dagelijks bestuur verleende vergunning wordt gehandeld. In verband met de op de recreatiegebieden gewenste rust achten wij een ventverbod noodzakelijk.
Het afgrenzen van het begrip venten is belangrijk bij de vraag of een vergunning vereist is bij het aanbieden van goederen en diensten. Volgens de Hoge Raad geldt, wil er sprake zijn van venten, een verbod tot het aanbieden vanaf een vaste plaats. De venter moet, wanneer hij zijn waren aanbiedt dit voortdurend vanaf een andere plaats doen, tenzij hij zijn clientèle aan het bedienen is. In haar uitspraak oordeelde de Hoge Raad dat het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten in strijd is met de verleende ventvergunning.
 
Artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens regelen de vrijheid van meningsuiting. Het derde lid van artikel 7 van de Grondwet verzet zich tegen een voorafgaand verlof van de overheid wegens de inhoud van de uitingen maar staat een vergunningsplicht voor het verspreiden van deze uitingen niet in de weg. Aan de inhoud van de uitingen zal echter geen grond mogen worden ontleend aan deze uitingen bepaalde voorschriften te verbinden.
 
Artikel 7 lid 3 verbiedt het aanbieden van allerlei straatberoepen (bijvoorbeeld: bewaker van fietsen of reiniger van voertuigen). Dit artikel komt niet in strijd met artikel 19, derde lid van de Grondwet, waarin het grondrecht vrijheid van arbeidskeuze is neergelegd. Het motief van artikel 7 lid 3 is het voorkomen van (verkeers)overlast op de recreatieterreinen, hinder voor andere recreanten etc.. De beperking die daardoor in dit artikel is opgelegd, staat in zo ver verwijderd verband met het zojuist genoemde grondrecht, dat zij niet als beperking van dit grondrecht aangemerkt kan worden.
 
De wijziging betreft het vervallen van artikel 7 lid 4 in verband met het toevoegen van artikel 2 lid 1.
 


Artikel 8
 
Met het oog op de reinheid van de recreatieterreinen, waaraan wij met de Inspectie voor de Volksgezondheid bijzondere waarde hechten, achten wij een bepaling in de voorgestel­de zin onmisbaar. Omdat wij tevens het uiterlijk aanzien van de recreatieterreinen willen beschermen, is het van belang dat het recreatieschap regulerend kan optreden.
 
Artikel 9
 
In verband met de veiligheid van de recreanten op de terreinen achten wij een zwemver­bod buiten de daarvoor ingerichte delen van het water noodzakelijk.
 
In dit artikel is de formulering “onverminderd een door het terzake bevoegd gezag uit te vaardi­gen of uitgevaar­digd zwemverbod is het verboden te baden of te zwemmen of zich met tot drijven geschikte voorwerpen te water te begeven buiten de door het dagelijks bestuur met bebording kenbaar gemaakte delen van het recreatieterrein” gewijzigd in “onverminderd een door het terzake bevoegd gezag of uitgevaar­digd zwemverbod is het verboden te zwemmen of zich met tot drijven geschikte voorwerpen te water te bevinden buiten de door het dagelijks bestuur met bebording als zwemgedeelte kenbaar gemaakte delen van het recreatieterrein”.
Deze wijziging beoogt een leesbaarder redactie van dit artikel.
 
Artikel 10 (wijziging)
 
Het gebruik van vaartuigen en het innemen van ligplaatsen dient naar ons oordeel uit een oogpunt van veiligheid en voorts ter voorkoming van waterverontreiniging te worden verboden. De afmetingen van de watergedeelten van de recreatieterreinen nopen tot beperkingen ten aanzien van de afmetingen van de toe te laten vaartuigen.
Het dagelijks bestuur heeft de bevoegdheid om gedeelten van het water van de recreatieterreinen beschikbaar te stellen voor het innemen van een ligplaats of het gebruik van vaartuigen toe te staan.
 
De wijziging betreft het vervallen van artikel 10 lid 3 in verband met het toevoegen van artikel 2 lid 1.
 
Artikel 10 lid 4 verbiedt vaartuigen van hard materiaal te gebruiken in de zwemgedeelten.   Dit verbod dient om de veiligheid van de gebruikers van de zwemgedeelten te waarborgen door alleen die voorwerpen in de zwemgedeelten te tolereren die door het materiaal geen risico voor letsel van de gebruikers van de zwemgedeelten met zich meebrengen.
 
Artikel 11
 
1 a.  De aanwezigheid van honden is bijvoorbeeld ongewenst bij zwemstranden en speelvoorzieningen vanwege o.m. hygienische omstandigheden.
b. Het is mogelijk dat loslopende honden ‘s winters geen overlast veroorzaken, maar in de zomer wel (bijv. stranden en ligweides). Het bestuur kan in dat geval een periode vaststellen wanneer honden los mogen lopen.
 
Artikel 12
 
De fietspaden op de terreinen van het recreatieschap zijn bedoeld voor recreatief gebruik. Om effectief te kunnen optreden tegen het gebruik van de motorvoertuigen op de rijwielpaden is voorgestelde bepaling noodzakelijk.
 
Artikel 13 en Artikel 14
 
Om schade aan (zeldzame) beplanting en bos te voorkomen achten wij een verbodsbepa­ling tot het betreden van beplanting noodzakelijk. De plantvakken zijn aangegeven door bedrading of bebording. Het meenemen van alle soorten planten, takken, hout e.d. is ten strengste verboden. Het beleid van het schap is er op gericht de natuurwaarden te beschermen. Het is daarom nodig om deze bepaling, die verder strekt dan de Flora en Faunawet, op te nemen.
 


Artikel 15 (wijziging)
 
Uit oogpunt van de veiligheid van de sportduiker en ter voorkoming van vernielingen aan de rietkragen achten wij een duikverbod in de plassen van de recreatieterreinen noodzake­lijk. Ontheffing van dit verbod kan worden verleend.
 
De wijziging betreft het vervallen van artikel 15 lid 2 in verband met het toevoegen van artikel 2 lid 1.
 
Artikel 17 (wijziging)
 
Vuren in de openlucht raken de veiligheid van personen en goederen en vormen een bedreiging voor flora en fauna op de recreatieterreinen. Het dagelijks bestuur kan van dit verbod ontheffing verlenen voor barbecues die gehouden worden op de terreinen. De aanwezigheid van blusmateria­len is een vereiste alsmede het verwijderen en het afvoeren van as en verbrandingsresten.
Het gebruik van gastoestellen verdient de voorkeur en is daarom niet verboden. In het strandbad van het recreatiecentrum Maarsseveense Plassen is het gebruik van gastoestellen echter niet toegestaan zonder ontheffing.
 
De wijzigingen van dit artikel bestaan uit het toevoegen in lid 1 van “of een barbecue te gebruiken” en “met uitzondering van het strandbad van het recreatiecentrum Maarsseveense Plassen” en het vervallen van lid 2 in verband met het toevoegen van artikel 2 lid 1.
 
Artikel 18 (wijziging)
 
De wijziging betreft het vervallen van artikel 18 lid 2 in verband met het toevoegen van artikel 2 lid 1.
 
Artikel 20 (wijziging)
 
De wijzigingen betreffen het  toevoegen van de term lijn bestuurde in artikel 20 lid 2 en het vervallen van artikel 20 lid 3 in verband met het toevoegen van artikel 2 lid 1.
 
Artikel 22 (wijziging)
 
De recreatieschappen zijn ingericht ten behoeve van dagrecreatie. Al het gebruik dat verder strekt dan dit doel is verboden. Onder activiteiten met een commercieel karakter wordt met name verstaan: evenementen, groepsactiviteiten waarvoor een bijdrage gevraagd wordt (bijvoorbeeld in verenigingsverband) etc.
 
De wijziging betreft het vervallen van artikel 22 lid 2 in verband met het toevoegen van artikel 2 lid 1.
 
Artikel 23 (wijziging)
 
De wijziging van dit artikel bestaat uit het specifieker formuleren van de tekst door “aan de politie alsmede” toe te voegen, “ambtenaren” te wijzigen in “bijzondere opsporingsambtenaren”.
Bovendien is het zinsdeel “of aan de bij overeenkomst aan te wijzen bijzondere opsporingsambtenaren” toegevoegd. Dit maakt het afsluiten van wederkerige toezicht-convenanten in het kader van samenwerking tussen terreinbeherende organisaties mogelijk.
 
Artikel 24 (wijziging)
 
Artikel 24 lid 1 is in overeenstemming gebracht met de huidige inzichten door de tekst “een hechtenis van ten hoogste drie maanden of” te laten vervallen.
 
Artikel 25 (wijziging)
 
De wijziging betreft de toevoeging van “2004”.
Meer over De Leijen Meer over De Venen Meer over Doornse Gat Meer over Gravenbol Meer over Passantenhaven Rhenen Meer over Henschotermeer Meer over Heulse Waard Meer over Kwintelooijen Meer over Loosdrechtse Plassen Meer over Maarsseveense Plassen Meer over Middelwaard Meer over Nedereindse Plas Meer over Roode Haan Meer over Salmsteke Meer over Stadssparren Meer over Strijkviertel Meer over 't Waal Meer over Treekerpunt Meer over Utrechtse Baan Meer over Vinkeveense Plassen Meer over Zanderij Maarn Meer over Bosdijk Meer over Brasem Meer over De Aa Meer over De Geer Meer over De Hoef Meer over Demmerikse Bos Meer over Donkereindse Bos Meer over Grutto Meer over Heinoomsvaart Meer over Kandelaar Meer over Koekoek Meer over Oortjespad Meer over Oukoperdijk Meer over Pondskoekersluis Meer over Reiger Meer over Snoek Meer over Zwaan