Verordening bescherming plassengebied
Hoofdstuk V Overige bepalingen
Vastgesteld op 24 maart 1994
Afgekondigd op 1 april 1994
Inhoudsopgave:
Hoofdstuk I Begripsomschrijving
Hoofdstuk II Verboden met betrekking tot vaartuigen
Hoofdstuk III Overige verboden
Hoofdstuk IV Ontheffingen
Hoofdstuk V Overige bepalingen
Hoofdstuk 1 Begripsomschrijving
Artikel 1
In deze verordening wordt verstaan onder:
a. gebied: het gebied van het Plassenschap Loosdrecht en Omstreken.
b. bestuur: het dagelijks bestuur van het Plassenschap Loosdrecht en Omstreken.
c. plassenraad: het algemeen bestuur van het Plassenschap Loosdrecht en Omstreken.
Artikel 2
1. In deze verordening wordt verstaan onder:
a. vervallen
b. bedrijfsvaartuig: elk vaartuig waarin of waarmede een bedrijf wordt of kan worden uitgeoefend.
c. pleziervaartuig: elk vaartuig, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen voor als watersport aan te merken recreatief gebruik zoals: motorboten, zeilschepen, roeiboten, kano's, surfplanken en dergelijke.
d. andere vaartuigen: alle vaartuigen, niet zijnde een woonschip, bedrijfsvaartuig of een pleziervaartuig, zoals: vlotten, pontons, ponten en andere soortgelijke voorwerpen. Tevens wordt als "ander vaartuig" aangemerkt een luchtkussenvoertuig.
e. lengte: lengte over alles.
f. breedte: breedte over alles.
g. ligplaats hebben: het voor anker hebben liggen, het gemeerd hebben of op enigerlei wijze met de vaste grond verbonden hebben van een vaartuig.
h. onbemand vaartuig: een vaartuig, dat ligplaats heeft, zonder dat zich de eigenaar(s) of gebruiker(s) aan boord of in de onmiddellijke omgeving van het vaartuig bevindt (bevinden).
2. bedrijfsvaartuigen, pleziervaartuigen en andere vaartuigen worden mede verstaan:
a. die vaartuigen bedoeld in lid 1, die tijdelijk of blijvend de mogelijkheid en/of de geschiktheid om te varen of te drijven hebben verloren;
b. die vaartuigen bedoeld in lid 1, die tijdelijk of blijvend hun oorspronkelijke bestemming overeenkomstig de omschrijving in lid 1 hebben verloren;
c. de wrakken van de in lid 1 bedoelde vaartuigen;
d. de in lid 1 genoemde vaartuigen welke in aanbouw zijn en casco's welke kunnen worden opgebouwd dan wel verbouwd tot de in lid 1 genoemde vaartuigen.
Hoofdstuk 2 Verboden met betrekking tot vaartuigen
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
1. Het is verboden:
a. ligplaats te hebben met een bedrijfsvaartuig;
b. als eigenaar van of rechthebbende op water of gronden toe te laten dat een bedrijfsvaartuig ligplaats heeft in dat water of aan of op die gronden, zonder dat een ontheffing van het onder a. omschreven verbod is verleend.
2. De in lid 1 genoemde verboden zijn niet van toepassing op een bedrijfsvaartuig bestemd voor de uitvoering van werken, voor zover dat vaartuig overeenkomstig zijn bestemming wordt gebruikt en ligplaats heeft in een haven dan wel op een plaats waar met gebruikmaking van het vaartuig zelf een werk wordt uitgevoerd waarvoor van overheidswege schriftelijk toestemming is verleend of niet wordt vereist.
Artikel 5
Artikel 6
1. Het is verboden een bedrijfsvaartuig binnen het gebied te brengen.
2. Het in lid 1 genoemde verbod is niet van toepassing op een bedrijfsvaartuig dat overeenkomstig zijn bestemming wordt gebruikt en binnen het gebied wordt gebracht ten behoeve van de uitvoering van een werk waarvoor van overheidswege schriftelijk toestemming is verleend of niet wordt vereist.
Artikel 7
1. Het is, onverminderd hetgeen is bepaald in het Besluit Motorboten Loosdrechtse Plassen, verboden in de op kaart A met een enkele of kruisarcering aangegeven gedeelten van het gebied:
a. ligplaats te hebben met een pleziervaartuig of ander vaartuig, indien deze vaartuigen onbemand zijn;
b. als eigenaar van of rechthebbende op water of gronden gelegen binnen deze gedeelten van het gebied toe te laten dat een vaartuig als bedoeld onder a. op dat water of aan of op die gronden ligplaats heeft, zonder dat een ontheffing van het onder a. omschreven verbod is verleend.
2. De in lid 1 omschreven verboden zijn niet van toepassing op:
a. maximaal 2 pleziervaartuigen elk met een maximum lengte van 12 meter, gelegen binnen een afstand van 15 meter van een huis, zomerhuis, woonschip of kampeermiddel, waarvoor van overheidswege de vereiste toestemming schriftelijk is verleend dan wel niet is vereist;
b. kleine open pleziervaartuigen met een geringere lengte dan 4,00 meter en een geringere breedte dan 1.50 meter.
3. Indien de in lid 2 onder a. en b. bedoelde vaartuigen motorboten zijn in de zin van het Besluit Motorboten Loosdrechtse Plassen geldt het daar bepaalde slechts indien voor deze vaartuigen een ontheffing, voor zover vereist, is verleend van het verbod om te varen met ingeschakelde motor.
4. Onverminderd het bepaalde in voorgaande leden van dit artikel is het verboden langs niet als ligplaats ingerichte oevers anders aan te leggen en/of ligplaatsen te hebben dan met de lange zijde van het vaartuig langs die oever. Tevens is het verboden een vaartuig aan te leggen en/of daarmede ligplaats te hebben binnen één meter uit de rietkraag of een vaartuig zondanig aan te leggen en/of daarmee ligplaats te hebben dat schade wordt of kan worden toegebracht aan rietkragen en/of oevers.
Artikel 8
1. Het is, onverminderd hetgeen is bepaald in het Besluit Motorboten Loosdrechtse Plassen, verboden tussen 20:00 en 08:00 uur in de op kaart A met enkele arcering aangegeven gedeelten van het gebied:
a. ligplaats in te nemen met een pleziervaartuig of ander vaartuig;
b. als eigenaar van of rechthebbende op water of gronden gelegen binnen deze gedeelte van het gebied toe te laten dat een vaartuig als bedoeld onder a. op dat water of aan die gronden ligplaats heeft, zonder dat een ontheffing van het onder a. omschreven verbod is verleend.
2. De in lid 1 omschreven verboden zijn niet van toepassing op:
a. maximaal 2 pleziervaartuigen elk met een maximale lengte van 12 meter, gelegen binnen een afstand van 15 meter van een huis, zomerhuis, woonschip of kampeermiddel, waarvoor van overheidswege de vereiste toestemming schriftelijks is verleend dan wel niet is vereist;
b. kleine open pleziervaartuigen met een geringere lengte dan 4,00 meter en een geringere breedte dan 1.50 meter.
3. Indien de in lid 2 onder a. en b. bedoelde vaartuigen motorboten zijn in de zin van het Besluit Motorboten Loosdrechtse Plassen geldt het daar bepaalde slechts indien voor deze vaartuigen een ontheffing, voor zover vereist, is verleend van het verbod om te varen met ingeschakelde motor.
Hoofdstuk III Overige Verboden
Artikel 9
1. Het is in andere gevallen dat die, waarin de verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht van toepassing is, verboden buiten gebouwen, getimmerten of gesloten bewaarplaatsen afval, puin, straat- en huisvuil, oude materialen van welke aard ook, aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken middelen van vervoer, mest, grond, zand, bagger, specie, bouwmaterialen en andere stoffen en voorwerpen soortgelijk aan de genoemde, te storten, te doen storten, op te slaan of te hebben op de gronden gelegen in het gebied, voor zover deze gronden geen openbare wegen zijn in de zin van de Wegenwet.
2. Het in lid 1 omschreven verbod is niet van toepassing op materialen, benodigd voor de oprichting van een bouwwerk waarvoor door de bevoegde instanties de vereiste vergunning en/of ontheffing is verleend en van kracht is.
3. Het in lid 1 omschreven verbod is niet van toepassing, indien het storten, het opslaan of het voorhanden hebben noodzakelijk is ter uitoefening van een ter plaatse gedreven en ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening bestaand landbouw-, veeteelt-, tuinbouw- of bosbouwbedrijf, of wanneer het geschiedt ten behoeve van het onderhoud van watergangen of waterkeringen, dat plaats vindt op last van het waterschap, in welks gebied de gronden liggen.
4. Het in lid 1 omschreven verbod is niet van toepassing binnen de op kaart B met witte kleur aangegeven gedeelten van het gebied.
Artikel 10
Vervallen
Artikel 11
1. Het is verboden:
a. in of boven het water palen of balken, geen deel uitmakend van een beschoeiing, boeien, skischansen, bruggen, getimmerten, botenhuizen, brandstoftanks of soortgelijke voorwerpen te plaatsen of te hebben;
b. in, onder, op of boven het water touwen, kettingen, metalen draden of kabels, voor zover deze niet gebruikt worden tot het meren of slepen van vaartuigen, te leggen, te spannen of te hebben.
c. als eigenaar van of rechthebbende op water de onder a. of b. vermelde en bedoelde voorwerpen in of boven, resp. in, onder, op of boven dat water toe te laten, zonder dat een ontheffing van het onder a. resp. b. genoemde verbod is verleend.
2. De in lid 1 omschreven verboden zijn niet van toepassing binnen de op kaart B met witte kleuren aangegeven gedeelten van het gebied.
Artikel 12
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 7, 8 en 11 is het verboden op enigerlei wijze de vrije doorvaart te belemmeren, volledig te blokkeren danwel hinderlijk te versmallen.
Artikel 13
Het is, in andere gevallen dan die waarin de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren, de Verordening Waterkwaliteitsbeheer Provincie Utrecht van toepassing zijn, verboden in het water afval, puin, straat- en huisvuil, oude materialen van welke aard ook, mestgrond, zand, bagger, specie en soortgelijke stoffen, alsmede fecaliën of andere vuile, verontreinigende of voor mensen, flora of fauna schadelijke stoffen te storten of te laten lopen of op enige wijze die wateren te verontreinigen.
Artikel 14
Het is onverminderd het bepaalde in de artikelen 9 en 12, aan bewoners en gebruikers van zomerhuizen, kampeermiddelen, woonschepen en bedrijfsvaartuigen die staan dan wel ligplaats hebben binnen de op kaart C met enkele arcering aangegeven gedeelten van het gebied verboden zich gedurende de maanden mei tot en met oktober op andere wijze van huisvuil te ontdoen dan door dit aan de vuilnisophaaldienst van het Plassenschap aan te bieden in het door het Plassenschap verstrekt vuilbergingsmateriaal.
Onder kampeermiddel wordt verstaan een kampeermiddel in de zin van artikel 14 Kampeerverordening Plassenschap Loosdrecht 1986.
Artikel 15
Vervallen
Artikel 16
Bij ijsvorming is het, na bekendmaking door het bestuur, tot wederopzegging verboden in het gebied te varen.
Hoofdstuk IV Ontheffingen
Artikel 17
1. Het bestuur kan van de verboden, vervat in deze verordening, schriftelijk ontheffing verlenen onder door hem te stellen voorwaarden.
2. Een ontheffing is slechts van kracht voor degene aan wie zij is verleend.
Een ontheffing voor het ligplaats innemen met een woonschip kan slechts worden verleend indien een verklaring van geen bezwaar door de betreffende gemeente is overlegd.
3. Het bestuur neemt binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag een beslissing. Deze termijn kan met een periode van twee maanden worden verlengd. Van een verlenging als bovenbedoeld wordt de aanvrager schriftelijk mededeling gedaan.
4. De ontheffing van de in hoofdstuk II omschreven verboden met uitzondering van het verbod omschreven in artikel 6 wordt verleend voor en bij de ontheffing aan te wijzen ligplaats.
Artikel 18
1. Een ontheffing kan worden ingetrokken:
a. indien niet of niet meer wordt voldaan aan één of meer van de aan de ontheffing verbonden voorwaarden;
b. indien bij het aanbrengen ervan onjuiste gegevens of inlichtingen werden verstrekt.
Aan de ontheffinghouder zal van het intrekken van de ontheffing schriftelijk mededeling worden gedaan.
2. De houder van de ontheffing is verplicht het bewijs van de ontheffing op de eerste vordering van hen die belast zijn met de opsporing van overtredingen van deze verordening aan dezen ter inzage te geven of af te staan.
3. Bij elke beslissing als bedoeld in art. 18 lid 1 wordt melding gemaakt van de wijze waarop en de termijn waarbinnen daartegen bezwaar kan worden gemaakt dan wel beroep kan worden ingesteld.
Hoofdstuk V Overige bepalingen
Artikel 19
1. Overtreding van enige bepaling van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de eerste categorie.
2. Ten aanzien van het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom zijn artikel 125 van de Gemeentewet en de artikelen 5:21 en volgende van de Algemene wet bestuursrecht overeenkomstig van toepassing.
Artikel 20
1. Met het handhaven van de bepalingen en met het opsporen en constateren van overtredingen van deze verordening zijn -behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde personen- belast de door de Plassenraad aangewezen personen, ieder voor zover betreft de bij die aanwijzing genoemde zaken.
2. De ter handhaving van deze verordening gegeven bevelen van de bedoelde opsporingsambtenaren moeten worden opgevolgd.
Artikel 21
1. Deze verordening is op 1 april 1994 inwerking getreden.
2. Met ingang van deze dag:
a. vervalt de Verordening bescherming plassengebied zoals deze werd vastgesteld op 18 mei 1961 en laatstelijk werd gewijzigd op 18 december 1990.
b. blijven van de Verordening op de recreatieverblijven in de gemeente Breukelen, vastgesteld door de raad van die gemeente, ophouden te gelden de artikelen 1, sub 6a en 6b alsmede de artikelen 59 en 60:
1. voor het gedeelte van het gebied van die gemeente, dat valt binnen het gebied van het Plassenschap Loosdrecht en Omstreken;
2. voor zover in het onderwerp van die artikelen door deze verordening wordt voorzien;
c. blijven onverminderd het bepaalde onder b. voor het gebied van het Plassenschap Loosdrecht en Omstreken, naast deze Verordening, van kracht geldende verordeningen van de gemeente Breukelen, Loenen en Loosdrecht, voor zover de bepalingen in deze verordeningen niet strijdig zijn met de bepalingen van de onderhavige verordening van het plassenschap.
Artikel 22
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de Plassenraad gehouden op 24 maart 1994 te Loosdrecht.
Eerste wijziging vastgesteld in de openbare vergadering van de Plassenraad, gehouden op 26 juni 2002.
Tweede wijziging vastgesteld in de openbare vergadering van de Plassenraad, gehouden op 6 juli 2006.
D. Bijl, voorzitter
R.F.B. Broos, secretaris
Toelichting Verordening Bescherming Plassengebied
Opbouw van de Verordening
In aansluiting op wat in andere verordeningen gebruikelijk is, is de verordening in hoofdstukken ingedeeld.
Hoofdstuk I Begripsomschrijving
Enige termen die meermalen in de verordening voorkomen worden in dit hoofdstuk nader gedefinieerd. Op de in artikel 2 omschreven begrippen wordt ingegaan in de toelichting op hoofdstuk II van de verordening.
Hoodfstuk II Verboden met betrekking tot vaartuigen
In de begripsomschrijving is een categorie "andere vaartuigen" opgenomen, waaronder alle niet apart omschreven vaartuigen vallen. Het is namelijk nodig ook voor deze vaartuigen bepaalde regels te stellen, vooral nu een gedeelte daarvan in het vervolg niet meer als woonschip zal worden aangemerkt, en ook de toegang tot de plassen via de Mijndense sluis niet meer belemmerd wordt.
Zowel voor woonschepen, bedrijfsvaartuigen als bergschepen blijft een ligplaatsverbod met ontheffingmogelijkheid voor het gehele gebied (met uitzondering van de jachthavens) van kracht.
Woonschepen in de zin van de Wet op woonwagens en woonschepen voor zover liggend op de daartoe ingevolge bepalingen van de gemeenteraad op grond van art. 31 van deze wet aangewezen laats, zijn uitgezonderd om te voorkomen dat deze verordening treedt in wat door de rijkswetgever wordt geregeld. Bedrijfsvaartuigen die overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt zijn wanneer zij in een haven liggen of op een plaats, waar een werk wordt uitgevoerd, uit praktische overwegingen niet onder het verbod gebracht.
In de artikelen 7 en 8 is een regeling opgenomen met betrekking tot andere vaartuigen dan woonschepen, bedrijfsvaartuigen en bergschepen. Deze regeling beoogt de hierboven al genoemde "lintbebouwing"langs oevers door schepen en uitbreiding van jachthavens buiten de jachthavengebieden tegen te gaan en het innemen van ligplaats in specifieke natuurgebieden te beperken. Artikel 7 verbiedt globaal genomen het ligplaats hebben met onbemande vaartuigen buiten jachthavengebieden. Artikel 8 gaat verder door bovendien het ligplaats hebben met bemande vaartuigen in de specifieke natuurgebieden te verbieden tussen 20.00 uur en 08.00 uur.
Om praktische redenen zijn deze verboden niet van toepassing op maximaal 2 vaartuigen, mits elk niet langer dan 12 meter, die liggen binnen een afstand van 15 meter van een legaal huis, zomerhuis, woonschip of kampeermiddel. Ook kleine vaartuigen met een lengte van maximaal 4,00 meter en een breedte van maximaal 1,50 meter, vallen niet onder de werking van de verordening.
Met behulp van deze bepalingen is het mogelijk de veelal aantrekkelijke plasoevers en de natuurgebieden te vrijwaren tegen een te intensief recreatief gebruik. Uiteraard zal een overgangsregeling nodig zijn voor vaartuigen die reeds een reeks van jaren ligplaats hebben en nu onder de werking van de nieuwe bepalingen gaan vallen.
Hoofdstuk III Overige verboden
Artikel 9
Het verbod voor het storten van afval etc. is niet meer afhankelijk gesteld van het zichtbaar zijn vanaf een openbaar toegankelijke plaats. Deze beperking dient te vervallen omdat de belangen van de recreatie en de landschapsbescherming ook kunnen en veelal zullen worden geschaad door het storten van afval op een niet voor het publiek zichtbare plaats. De aanvang van het artikel is gewijzigd omdat de "Schoonheidsverordening Provincie Utrecht" is vervangen door de "Verordening Bescherming natuur en landschap Provincie Utrecht".
Artikel 11
Aan de opsomming uit het huidige artikel 7 lid 2 zijn ter verduidelijking toegevoegd balken, botenhuizen en brandstoftanks. De bij dit artikel behorende kaart is dezelfde als de kaart genoemd in de artikelen 9 en 10.
Artikel 12
Uitgezonderd zijn die zaken die vallen onder de Wet Verontreiniging Oppervlaktewater, de Verordening Waterkwaliteit Provincie Utrecht en de Verordening Grondwaterkwaliteit Provincie Utrecht.
Artikel 14
De bij dit artikel behorende kaart is dezelfde als de kaart behorende bij de artikelen 7 en 8.
Hoofdstuk IV Ontheffingen
Artikel 15 lid 2
In de huidige verordening staat, dat een ontheffing slechts van kracht is voor de degene te wiens naam zij is gesteld. Ontheffingen voor het uitvoeren en hebben van werken worden echter ook verleend aan de rechtsopvolgers van de oorspronkelijke ontheffinghouder.
In verband hiermee is de formulering gewijzigd in: "van kracht voor degene aan wie zij wordt verleend".
De woorden "recreatieve belangen van het Plassenschap" zijn vervangen door "de belangen van de recreatie", dit in overeenstemming met de formulering uit de gemeenschappelijke regeling.
Artikel 16
Dit verbod is ingesteld op verzoek van de ijsclubs in het belang van de ijssport. Om te voorkomen dat er tijdens ijsvorming nog gevaren wordt kan het dagelijks bestuur een vaarverbod instellen. Dit verbod wordt eerst ingesteld na overleg met de ijsverenigingen waarbij rekening wordt gehouden met de weersvoorspelling. Het verbod geldt na publicatie in de plaatselijke bladen.
Deze verordening kan worden aangehaald als: "Verordening Bescherming Plassengebied".vervallen

